17 januari 2020

Stop niet met kringgesprekken omdat ze pijnlijk zijn!

foto: Marisa Beretta

‘Heel pijnlijk, die kringgesprekken op maandag! Elk kind moest vertellen wat hij gedaan had en ik speelde alleen maar buiten, want wij hadden geen geld’, zegt mbo-docent en acteur Abbie Chalgoum. Ongeveer twee derde van de basisschoolleraren heeft kinderen in de klas die onder de armoedegrens leven. Die omstandigheden hebben invloed op hun prestaties. Twintig procent van de leraren is om deze reden – ‘te pijnlijk voor de kinderen’ – gestopt met deze gesprekken. Toch raadt Chalgoum aan om dat niet te doen.’

‘Elke maandag hadden we een kringgesprek en moesten álle kinderen vertellen wat ze dat weekend of die vakantie hadden gedaan.

De eerste paar keer kom je nog weg met dat je buiten gespeeld hebt, maar daarna begint het op te vallen. Anderen gingen naar De Efteling, met de trein naar opa en oma of naar het strand. Ik had nog nooit een trein van binnen gezien of in de zee gezwommen, laat staan dat ik naar De Efteling was geweest!’

‘Gewoon geen geld’

‘Wij waren met zeven kinderen thuis, mijn vader werkte hard en veel in een fabriek, mijn moeder was huisvrouw. Wij hadden gewoon geen geld. En als er wat geld was, ging het naar familie in Marokko. Ze konden ook wel aan me zien dat we het niet breed hadden, als ik weer in door mijn broer afgedragen kleding naar school kwam. En daar gaan kinderen dan mee aan de haal, zo hard zijn ze wel. “Moet je die schooier zien!”’ Soms verzon Chalgoum uitstapjes die hij ondernomen zou hebben. ‘Maar dan viel ik door de mand als kinderen doorvroegen hoe de Fata Morgana eruit zag. En dan was ik naast een schooier ook nog eens een leugenaar.’ Schoolreisjes waren ook een probleem voor het gezin Chalgoum: ‘Met vijf kinderen op de basisschool kon er elk jaar maar één kind mee op schoolreisje, want dat kostte geld. En in die tijd had je nog geen potjes op school voor ouders die het niet konden betalen.’

‘Ken je leerlingen’

Ondanks de pijnlijke ervaringen met de kringgesprekken, is Chalgoum geen voorstander van het afschaffen van kringgesprekken. ‘Nee, je leert juist heel veel van kringgesprekken, je leert een verhaal vertellen. Maar doe het dan wel goed: verplaats je in de leerling, ken je leerlingen, weet wie in minder goede omstandigheden leeft en plan elke maandag drie leerlingen in. Ik had bijvoorbeeld wél wat te vertellen na het Suikerfeest, want dan was er snoep en bezoek in overvloed. Het vraagt wat empathie en voorbereiding van de leerkracht, maar zo zorg je er wel voor dat elk kind in het zonnetje wordt gezet. Je kunt met kleine gebaren al zo veel goed doen bij leerlingen! Ik werk nu zelf in het mbo en ook daar zijn studenten die het minder breed hebben. Ik verdiep me in hen, ga naar een hockey- of voetbalwedstrijd van ze, laat ze games spelen en dan zie je ze groeien. Ik doe er toe, ik word gezien, dat idee.’

Onderzoek: wat is armoede?

Armoede wordt in het onderzoek van DUO Onderwijsonderzoek & Advies breed gedefinieerd: variërend van leerlingen die opgroeien in een gezin dat niet of zeer moeizaam kan voorzien in de eerste levensbehoeften, tot leerlingen die opgroeien in een gezin waar onvoldoende geld is voor bijvoorbeeld Wi-Fi, laptops en smartphones.

Twee derde van de leraren geeft aan te maken te hebben met een of meer leerlingen in hun groep die in armoede opgroeien. Op de vraag welke signalen daarop wijzen, antwoorden de meesten: kleding en/of schoenen, de gesprekken na de vakanties/het vakantie-opstel, geen geld hebben voor schoolreisjes/uitjes/buitenschoolse activiteiten, de persoonlijke hygiëne van de leerlingen en de inhoud van de broodtrommel. Ruim de helft denkt dat de armoede invloed heeft op de schoolprestaties, drie kwart zegt dat de armoede een negatieve invloed heeft op de sociaal-emotionele ontwikkeling. Voor leerlingen die in armoede opgroeien heeft 70 procent van de scholen een ‘potje’ en 78 procent verwijst ouders van deze leerlingen door naar hulpverleners/hulporganisaties.

Signaleren

In opdracht van de ministeries van Sociale Zaken en Onderwijs heeft Annelies Kannenberg, lector aan de Hanzehogeschool in Groningen, samen met collega Mariette Lusse van de Hogeschool Rotterdam, een handreiking voor scholen ontwikkeld hoe om te gaan met armoede. Op 13 februari wordt deze gelanceerd en bruikbaar via www.hanze.nl/sosarmoede. ‘Scholen kunnen een heel belangrijke bijdrage leveren aan de ontwikkelkansen van kinderen die opgroeien in armoede. Ze kunnen signaleren, ondersteunen en stimuleren. Signaleren vind ik niet te veel gevraagd van scholen’, zegt Kassenberg. ‘Het vraagt van leraren dat ze goed opletten, dat ze tijdens de kennismaking met ouders vertellen hoe hoog de vrijwillige ouderbijdrage is en of dat een probleem is. Ouders hebben vaak liever een directe vraag dan een omzichtige benadering. En kinderen vinden het ook niet prettig om een geheim te hebben.’

Lege broodtrommel

De tweede manier, ondersteunen, gaat iets verder en vraagt meer van de school. Kassenberg: ‘Dan zoek je bijvoorbeeld uit of de schoolkosten voor ouders omlaag kunnen: vraag je af of dure schoolreisjes, cadeautjes voor de juf en dure leer- en hulpmiddelen echt nodig zijn. Informeer ouders goed over beschikbare potjes en fondsen. En zorg dat er brood op school is voor het geval een kind een lege broodtrommel bij zich heeft.’ De derde manier, stimuleren, is meer gericht op de toekomst en het bieden van ontwikkelkansen, met bijvoorbeeld lessen hoe je met geld omgaat, cursussen voor ouders of een verrijkt onderwijsaanbod zodat alle leerlingen in aanraking komen met muziek, kunst en cultuur.’

‘Er gebeurt al best veel op scholen’, weet Kassenberg, ‘maar dan vooral op scholen waar veel armoede is. Ik zou het mooi vinden als elke leraar zich bewust is van het feit dat er gezinnen zijn die in armoede leven en dat kinderen daardoor kansen mislopen. Ken je leerlingen en hun omstandigheden. Bespreek bij een kringgesprek na Sinterklaas niet wat iedereen gekregen heeft, maar hoe ze het vinden dat er kinderen zijn die geen cadeautjes krijgen. En vraag ze niet hun schoen te zetten, als ze maar één paar schoenen hebben.’

tekst: Ciska de Graaff