10 september 2018

Kinderen meer laten bewegen? Het kan… met meer bewegingsvrijheid voor scholen

 

Laat kinderen meer bewegen op school, zo adviseren de Nederlandse Sportraad, de Onderwijsraad en de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving in een rapport. CNV Onderwijsvoorzitter Loek Schueler is voor meer bewegen, mits scholen er ook de ruimte voor krijgen.

De Nederlandse Sportraad, de Onderwijsraad en de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving adviseren leerlingen in het primair, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs twee keer per dag matig intensief te laten bewegen. Sporten en bewegen horen volgens de raden een vanzelfsprekend onderdeel te zijn van het onderwijs. De raden pleiten daarbij voor het werken met zogenaamde beweegteams, waarvan naast vakleerkrachten ook buurtsportcoaches en gekwalificeerde trainers deel uitmaken. Rijksoverheid, gemeenten, sportverenigingen en scholen zouden volgens deze raden meer kunnen samenwerken op dit onderwerp.

 Bewegingsvrijheid

“Meer bewegen valt in het rijtje meer aandacht voor gezond leven, muziekonderwijs, burgerschapsvorming enzovoort; niemand kan er tegen zijn. Zeker onze leden niet. Deze zomer hielden we een onderzoek. Het is heel duidelijk waar leraren energie van krijgen; goed onderwijs kunnen geven en iets betekenen voor de kinderen. En daar hoort bewegen natuurlijk bij. Maar als je een grote klas of veel klassen op één dag hebt, met kinderen die passend onderwijs nodig hebben zonder extra handen in de klas en ook nog even tien kinderen van je zieke collega opvangt, houd je je neus maar net boven water. Als je je neus al boven water houdt.

Dit advies gaat over gestructureerd bewegen in het onderwijs. Dat betekent dus dat er wéér meer afstemming tussen school en gemeenten en verenigingen moet komen, dat er wéér een procesregisseur aangesteld moet worden, dat er wéér meer administratieve last uit voortkomt. Meer vragen van scholen kan, binnen grenzen, maar geef ons dan ook de bewegingsvrijheid om het uit te kunnen voeren. Financieel, maar ook in het inrichten van het onderwijs.”