11 juli 2019

Kamer wil meer passend onderwijsgeld in de klas en beter opgeleide leraren

Op de valreep van het zomerreces behandelde de Tweede Kamer vorige week nog zo’n 15 moties over passend onderwijs. De toon was uiterst kritisch over de samenwerkingsverbanden. Geld voor passend onderwijs moet zoveel mogelijk naar de klas. De hoge bankrekeningen van de samenwerkingsverbanden zijn de volksvertegenwoordiging een doorn in het oog. Waarom moet al dat geld worden opgespaard? Waarom wordt het niet direct ingezet voor de extra ondersteuningsbudgetten van scholen, de professionalisering van leraren en de verbetering van lesmaterialen en leermiddelen? En zijn al die uitgaven voor directies, raden van toezicht, personeel en huisvesting van samenwerkingsverbanden nu werkelijk allemaal wel nodig?

Het signaal van de Kamer is duidelijk. De politiek heeft genoeg van de passend onderwijsbureaucratie en wil waar – lees: goed onderwijs en zorg – voor ons belastinggeld. De kwaliteit moet omhoog. De ondersteuning die kinderen krijgen mag niet meer afhankelijk zijn van toeval. Er moet een landelijke norm komen voor de ondersteuning die er overal mimimaal moet worden geboden. De zogenaamde basiszorg. Ook moeten lerarenopleidingen hun studenten veel beter op het passend onderwijs gaan voorbereiden. Met de lerarenopleidingen zal daarom worden gesproken over verbetering van het curriculum.

Hiermee komt de Kamer tegemoet aan belangrijke wensen van CNV Onderwijs. Meer handen in de klas, betere toerusting van leraren en onderwijsondersteuners, meer middelen en faciliteiten en minder ‘gedoe’ om het onderwijs heen.