12 april 2016

Hoe zit het met de rekenrente van pensioenfondsen?

Pensioenfondsen hebben enorm last van de lage rente. Tegelijk hoor je kritiek dat de rekenrente voor pensioenfondsen eigenlijk nog kunstmatig hoog wordt gehouden, waardoor jongeren zouden worden benadeeld. Hoe zit dat nou?

De financiële positie van pensioenfondsen, die bepaalt of ze mogen indexeren of moeten korten, wordt gemeten via de dekkingsgraad. Dat is de verhouding tussen het vermogen en de verplichtingen. De verplichtingen bestaan uit alle huidige en toekomstige uitkeringen die een fonds moet doen. De toekomstige uitkeringen worden met een rekenrente teruggerekend naar een bedrag dat daarvoor nu beschikbaar moet zijn. De hoogte van deze rekenrente heeft een heel grote invloed op de hoogte van dat bedrag. Voor een verplichting van €1.000 over 60 jaar moet bij een terugrekenrente van 3% nu €170 beschikbaar zijn. Bij een rente van 1,5% is dat €410, bijna 2,5 keer zoveel (voorbeeld geleend van de site van PFZW).

Pensioenfondsen moeten de toekomstige uitkeringen terugrekenen met de ‘risicovrije’ marktrente. De wetgever schrijft dit voor omdat in het huidige stelsel van uitkeringsovereenkomsten uitkeringen van een bepaalde hoogte zijn toegezegd. Die uitkeringen moeten daarom met een zeer hoge mate van zekerheid zijn gefinancierd. Dat terugrekenen met de risicovrije rente moeten de fondsen doen per looptijd van de verplichting. Een uitkering die ze over 5 jaar moeten doen rekenen ze terug met de 5-jaarsrente, een uitkering over 10 jaar met de 10-jaarsrente. De Nederlandsche Bank (DNB) publiceert alle rentes, van de 1-jaarsrente tot en met de 100-jaarsrente (de zogenaamde rentetermijnstructuur), die de fondsen daarbij moeten gebruiken.

Voor looptijden tot 20 jaar geldt de zuivere marktrente. Omdat er voor hele lange looptijden geen goede marktinformatie is, wordt er voor looptijden vanaf 20 jaar een correctie toegepast. Dit wordt de UFR-rente genoemd (UFR staat voor Ultimate Forward Rate). De rekenrente groeit dan vanaf de 20-jaarsrente toe naar een fictieve waarde bij een oneindige looptijd. Die waarde bij een oneindige looptijd heeft DNB vorig jaar verlaagd van 4,2 naar 3,3%. Voor de media is dat te moeilijk en je hoort of leest dan dat ‘de rekenrente van de pensioenfondsen is verlaagd van 4,2% naar 3,3%’. Dat valt nog wel mee zou je dan denken. En sommigen zullen zeggen, dat gaat lang niet ver genoeg.

Maar fondsen hebben natuurlijk geen verplichtingen in het oneindige. 80 jaar is wel zo’n beetje het maximum (een 20-jarige die pensioen opbouwt en 100 wordt). Bij de oude manier van corrigeren zou de rekenrente voor een uitkering over 80 jaar bij de huidige marktrente ongeveer 3% bedragen. En de rekenrente voor alle looptijden daaronder (veel) lager. Door het besluit van DNB ligt de rekenrente voor een uitkering over 80 jaar op dit moment op nog geen 2,4%. Bij een gelijkblijvende marktrente zakt deze rekenrente de komende jaren zelfs nog veel verder omlaag tot onder de 1,4%. En de rekenrente voor alle kortere looptijden ligt daar nog weer (ruim) onder.

De gemiddelde rekenrente (gewogen naar de looptijd van alle verplichtingen) bedroeg in februari voor ABP nog maar 1,18%. Hierdoor zijn de verplichtingen van ABP tot duizelingwekkende hoogte gestegen (tot rond de €400 miljard). Het vermogen van ABP is, dankzij de goede rendementen, ook tot een enorme hoogte gestegen (tot rond de €350 miljard). Maar zo’n snelle stijging van de verplichtingen door de lage rente politiek valt ook met prima rendementen niet bij te benen. De gevolgen zijn dramatisch. Het perspectief op indexatie van de pensioenen is ver achter de horizon verdwenen en er dreigen nu zelfs kortingen.

Als je de rekenrente van 1,18% afzet tegen het langjarige rendement van ABP, gemiddeld ruim 7% per jaar sinds 1993, vinden wij die absurd laag. Bovendien is al lang gebleken dat de pensioenen ook bij een uitkeringsovereenkomst nooit zeker kunnen zijn. Alle reden dus om (ook) rekening te houden met een, uiteraard heel voorzichtige, inschatting van het werkelijke rendement dat de pensioenfondsen op de lange termijn kunnen maken.