9 juni 2020

Hoe thuisonderwijs kansenongelijkheid blootlegt

Marieke Postma: ‘Een kijkje in de thuissituatie zoals we die nu door corona kregen, is hartstikke waardevol voor iedere leerkracht.’           Foto: Marisa Beretta

Kinderen mogen weer volop naar school, maar wat betekende het thuisonderwijs voor de kansen die ze individueel hebben? Ouders toonden zich betrokken door alle lagen van de bevolking, maar niet iedere ouder was of voelde zich capabel te helpen. Zeker als je de Nederlandse taal niet goed spreekt, was dit extra lastig, staat in het laatste Schooljournaal. Er worden voorzichtig zorgen geuit over kinderen met een achterstand, maar er is ook goed nieuws over extra geld voor onderwijs aan nieuwkomers. ‘We moeten nu hard werken aan kansengelijkheid voor ieder kind.’

Tekst: Joset van der Hoeven

In deze coronatijd hebben we ruim honderdzestig kinderen extra gekoppeld aan een vrijwilliger omdat ze juist nu hulp nodig hebben, ook al moesten we die hulp online geven.’ Dat zegt Merlijn Slothouber van Taal Doet Meer, een Utrechtse organisatie die met 1.000 vrijwilligers per jaar nieuwe Nederlanders helpt met het leren van de taal. Waar vrijwilligers normaal op meer informele wijze een kind helpen met huiswerk en het plezier in lezen krijgen, focuste de hulp zich nu vooral op het schoolwerk. Onder de groep nieuwkomers zitten vluchtelingenkinderen, maar er zijn er ook die hier geboren zijn. Want ook onder de derde generatie zitten volgens Slothouber veel kinderen met een achterstand in woordenschat en begrijpend lezen. ‘Sommige ouders kunnen niet voldoende helpen met huiswerk door een taalachterstand in het Nederlands. Dat is niet nieuw. Hun kansen op hoger onderwijs zijn velen malen kleiner, terwijl ze niet minder slim zijn.’

Dag- en nachtritme

Die ongelijkheid blijkt ook uit de recente cijfers van de Onderwijsinspectie. In de Staat van het Onderwijs 2020 staat dat leerlingen die nieuw zijn in Nederland drie keer zo vaak uitstromen naar de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo en bijna acht keer zo vaak naar het praktijkonderwijs. Enerzijds is dit een bestaand probleem, want de cijfers zijn niet gegroeid of geslonken ten opzichte van vorig jaar. Anderzijds doet de coronatijd volgens Slothouber nog een schepje bovenop die kansenongelijkheid. ‘En wat nog belangrijker is’, vervolgt ze, ‘deze tijd legt iets bloot. Omdat onze vrijwilligers leerlingen thuis helpen en we contact met scholen onderhouden, zagen we dat er kinderen bij waren waar te veel broertjes en zusjes in huis waren om huiswerk te maken. En sommige kinderen kwamen te laat hun bed uit. Het zijn patronen die er volgens haar altijd al zijn, maar nu worden opgemerkt.

Onder een vergrootglas

Thuisonderwijs vergroot de kansenongelijkheid, merkt ook socioloog Thijs Bol. De voorlopige resultaten van zijn onderzoek naar thuisonderwijs kwamen half mei al in het nieuws. Hij bevroeg 768 ouders met in totaal 1.318 kinderen in zowel basis- als voortgezet onderwijs. Bol wilde in de eerste plaats weten hoe groot de verschillen in het thuisonderwijs zijn, maar nu blijft hij de kinderen volgen om te zien welke impact deze periode op hun schoolcarrière heeft. ‘In deze situatie wordt alles onder een vergrootglas gelegd, want we zien wat de invloed van de thuissituatie is. Normaal zijn alle kinderen op school en zijn ze daarin gelijk. Nu zeggen de meeste ouders die laagopgeleid zijn dat ze slecht in staat zijn hun kinderen te helpen. Van de ouders die hoogopgeleid zijn geeft het merendeel aan hun kroost prima te kunnen helpen. De belangrijkste les daarvan: school is super belangrijk
voor gelijke kansen. Hoe meer je aan ouders overlaat, des te groter de ongelijkheid tussen kinderen wordt’, vindt Bol.

Het gaat dus om het opleidingsniveau van de ouders, maar hij ziet zijn gelijk ook bevestigd onder ouders die de Nederlandse taal niet machtig zijn. ‘Zij hebben veel meer moeite om hun kinderen te ondersteunen. Schoolwerk is heel talig dus kan een ouder niet helpen, ook al gaat het om rekenen. Deze uitblijvende hulp werkt door in hoe een kind presteert.’

Twee blokken gemist

Oefenen met kindercoach Roxanne op de Parkschool in Delft.             Foto: Henriëtte Guest

Jenneke Rotmensen maakt zich zorgen om die verschillen. Ze is NT2-docent op de Parkschool in Delft waar van de 155 leerlingen 20  nieuwkomerkinderen zijn en veruit de meesten ouders hebben met een andere culturele achtergrond. ‘Soms kwamen mijn buren me om advies vragen over hoe ze het beste thuisonderwijs konden geven aan hun dochter uit groep 3. Beiden zijn hoogopgeleid en uit hun vragen maakte ik op dat dit meisje in die acht weken thuis meer aandacht en les kreeg dan op een gemiddelde normale schooldag. Juist de kinderen die het meeste onderwijs nodig hadden, kregen het minst.’ Op de Parkschool probeerden ze dit deels te ondervangen door per klas ongeveer drie tot vijf kinderen wel naar
school te laten komen omdat ze thuis niks leerden. Bijvoorbeeld omdat ze nog nauwelijks Nederlands spraken of omdat er te veel spanning was in huis. Maar er waren ook kinderen die even van de radar verdwenen en niet te bereiken waren. ‘In de tijd dat de school helemaal gesloten was, misten de kinderen twee blokken rekenen en twee blokken taal. Dat is behoorlijk wat op een heel schooljaar’ geeft Rotmensen aan. ‘Ik heb dan zorgen om die nieuwkomerskinderen. Scholen krijgen voor deze groep per kind twee jaar extra geld. Er is dus maar beperkt tijd om ze naar een passende plek in het vervolgonderwijs te leiden. Het is nu al een uitdaging de kinderen op een passend niveau te krijgen.’

Toverwoord communicatie

Over dat geld is goed nieuws te melden. Want specifiek voor nieuwkomerskinderen heeft het ministerie van Onderwijs €21 miljoen vrijgemaakt. Dat komt neer op een kwartaal extra onderwijs per kind. Marieke Postma, directeur Internationale Taalklas in Haarlem en voorzitter van LOWAN, de organisatie die advies geeft over onderwijs aan nieuwkomers, is al in april met de PO-Raad gaan lobbyen voor dit extra geld. ‘In eerste instantie kregen we nee te horen tijdens het onderwijsdebat in de Tweede Kamer. Ik denk dat ze niet meteen akkoord konden gaan, omdat goed onderbouwd moet worden waarom juist deze groep extra geld nodig heeft. Maar het is natuurlijk erg logisch. Onderwijs aan nieuwkomers staat al onder tijdsdruk omdat je als school maar maximaal twee jaar extra geld krijgt. Als je daar twee maanden van mist, is dat veel.’

‘Het is super belangrijk dat deze kinderen geen extra vertraging oplopen’, benadrukt remedial teacher Mieke Nijboer. De scholen waarvoor ze werkt in de omgeving van Geldermalsen zijn vrijwel wit. Maar ze heeft wel drie Syrische kinderen in haar RT-klasje. ‘Communicatie is het toverwoord. Als dat niet lukt, kun je niet meedoen. Deze kinderen zitten al een jaar lager dan ze eigenlijk moeten zitten, puur door taalachterstand. Die achterstand groeit en ik ben bang dat die door de coronacrisis te groot wordt. Een jaar overdoen is echt geen optie. Dan wordt het leeftijdsverschil te groot en
missen ze aansluiting met klasgenoten. Iets wat voor de sociale basis van deze kinderen onmisbaar is.’

Bevoordelen

De zorgen gaan dus vooral over nieuwkomerskinderen, en dan met name over de aansluiting. Meerdere leerkrachten uiten hun mening over de slechte doorstroming naar het voortgezet onderwijs. Problemen die er al voor de lockdown waren, zoals eerder aangegeven, maar nu duidelijk aan het licht komen. ‘Ik hoop dat mijn onderzoek hier aan bijdraagt’, zegt Bol op de vraag of de situatie tot iets positiefs is om te buigen. ‘Ik denk niet dat het schokkende resultaten toont voor sociologen en leraren. Maar de kansenongelijkheid is wel aantoonbaar. En dat is belangrijk voor extra aandacht en geld vanuit de overheid. Om te beginnen moet de aandacht op school nu ongelijk verdeeld worden. De kinderen die het meest te lijden hadden onder de thuissituatie, moeten nu bevoordeeld worden.’

Belangrijke les

Die extra aandacht voor kinderen die het nodig hebben, moet volgens Bol niet alleen vanuit de scholen komen. Er is hulp nodig van buitenaf. Wat dat betreft lijkt de werkwijze van Taal Doet Meer veelbelovend. Voor corona was er al een driehoeksverhouding met ouders en school. In het stadsnetwerk Taal & Huiswerk dat is opgericht om kinderen extra te ondersteunen bij thuisonderwijs, erken ze samen met de gemeente en scholen. ‘Wat nu wordt aangetoond door thuisonderwijs zagen wij al eerder omdat vrijwilligers bij leerlingen thuiskomen. Scholen waren nog wel eens huiverig met hen samen te werken, maar ze zien door deze situatie in dat ze het niet alleen redden om alle kinderen binnenboord te houden. De gemeente en de schoolbesturen erkennen dit ook, waardoor er beter wordt samengewerkt. Het mooie is dat we hiermee investeren in de langere termijn en we na corona ook samen blijven werken aan gelijke kansen, dat is niet alleen nu belangrijk.’

Postma heeft ook een belangrijke les geleerd. ‘Het persoonlijke contact dat we in deze tijd met leerlingen hadden, was heel waardevol. Voorheen gingen we bij leerlingen op thuisbezoek als we dachten dat er extra aandacht nodig was, maar nu denken we erover om dit standaard voor ieder kind in te voeren. Een kijkje in de thuissituatie zoals we die nu door corona kregen, is hartstikke waardevol voor iedere leerkracht. Desnoods lassen we er een extra studiedag voor in.’